Bergwandelen
Onderweg
Eindelijk is het zo ver: je gaat op pad. Begin met een eenvoudige, korte tocht. De route is op de kaart uitgestippeld en de gidsjes met gebiedsinformatie zijn gelezen. Er is een inschatting gemaakt van het aantal te lopen uren en van de te overbruggen hoogtemeters. Als je ook naar de weersverwachting heeft geïnformeerd, kan je eerste bergwandeltocht beginnen.
Techniek van het lopen
Bergop
De meest voorkomende beginnersfout is snel lopen en buiten adem raken. Ga altijd rustig omhoog in een regelmatige cadans; zo hou je het langer vol. Kleine stappen kosten minder kracht; ze zorgen voor beter evenwicht en het is minder vermoeiend. In één uur tijd stijgt een wandelaar ongeveer vierhonderd meter. Houd er rekening mee dat de aangegeven tijden op de bordjes pure looptijden zijn; de pauzes zijn nooit meegeteld.
Bergaf
Afdalen is lastiger dan elke beginnende wandelaar denkt. Zeker als het pad steil naar beneden gaat. Veel ongelukken gebeuren juist tijdens het afdalen, wanneer de vermoeidheid toeslaat. Neem kleine passen en veer goed door de knieën. Dat levert achteraf weliswaar spierpijn op, maar het spaart de kniegewrichten.
Oriëntatie
Als je de weg kwijtraakt in een onbekend gebied, kan er een gevaarlijke situatie ontstaan. Goede hulpmiddelen zijn kaart, kompas en gps, mits ze op een juiste wijze worden gebruikt. Er zijn talloze boeken geschreven en er zijn veel cursussen over dit onderwerp. Daarom volstaan we hier met een beknopte introductie.
Kaart
De bergwandelaar kan het best ‘uit de voeten’ met een kaart die een schaal heeft van 1:25.000, dat betekent dat 1 cm op de kaart in werkelijkheid 250 meter is. Met een goede routebeschrijving in een overzichtelijk gebied volstaat een 1:50.000-kaart (1 cm = 500 meter). Deze kaart is minder gedetailleerd, maar beslaat een groter gebied.
Een topografische kaart – ‘topografie’ betekent ‘plaatsbeschrijving’ – geeft het aardoppervlak zo nauwkeurig mogelijk weer. Bossen (loof of naald), dorpen, rivieren, bruggen, hoogtelijnen zijn er gedetailleerd op ingetekend. Vooral hoogtelijnen geven in de bergen belangrijke informatie: staan ze dicht op elkaar, dan is de helling steil. De legenda geeft de onderlinge afstand van de hoogtelijnen aan. Er bestaan ook toeristische kaarten; ze zijn gebaseerd op een topografische kaart en geven toeristische informatie weer als campings, berghutten, kabelbaan en soms lokale wandelroutes. Beide kaarten zijn handig in gebruik. Kijk je onderweg regelmatig op de kaart, zodat je telkens weet waar je je bevindt. Nog een tip: stop de kaart in een plastic hoesje, zodat deze droog blijft als het regent.
Voor meer informatie over het gebruik van kaarten: zie de pagina Wandelkaarten.
Kompas
Een kompas meenemen heeft alleen zin wanneer deze goed wordt gebruikt. In het kort: de naald wijst altijd naar het noorden. De richting wordt bepaald aan de hand van een draaibare ring met noord, oost, zuid, west. Gebruik een kompas altijd in combinatie met de kaart. Zo is op de kaart bijvoorbeeld af te lezen dat de route om het ravijn heen gaat, terwijl het kompas aangeeft dat je er dwars overheen moet. De meeste bergwandelaars hebben genoeg aan een liniaal- of plaatkompas met een doorzichtige plaat. Een spiegelkompas is handig voor wie van het pad wil afwijken. Voor meer informatie: zie de pagina Kompas.
Gps
Met gps kun je bepalen waar je bent, waar je heen gaat en waar je vandaan komt. Het navigatiesysteem is gebaseerd op radiosignalen, die door satellieten worden afgegeven. Aan de hand van minimaal vier satellieten bepaalt de gps-ontvanger de juiste positie, ook wel ‘waypoint’ genoemd.
Omdat een bergwand, dicht bos of een onweerswolk de radiosignalen kunnen verstoren, is het systeem niet voor 100% betrouwbaar. Zie het als een aanvulling op het gebruik van kaart en kompas. Voor meer informatie over gps en gps-cursussen: zie de pagina's Gps en Bergwandelen: links en adressen.
Het weer in de bergen
Niets is zo veranderlijk als het weer in de bergen. Neem daarom altijd een trui en regenjas mee, ook al schijnt ’s ochtends het zonnetje en zijn de weerberichten gunstig. Zo wordt het bij elke 100 meter die je stijgt, 0,7 graden Celsius kouder! Wie in de mist terecht komt, of in een regen- of sneeuwbui, kan bij twijfel beter omkeren en afdalen.
Wees altijd voorzichtig met onweer in de bergen. Onweer als gevolg van warmte komt meestal aan het eind van de middag voor. Vertrek vroeg in de ochtend, dan is de kans groot dat je alweer thuis bent wanneer het onweer losbarst. Houd de groter en donker wordende wolken goed in het oog. Als je wordt overvallen door onweer, zoek dan snel een veilige plek op. Daal snel af zolang het nog kan. Blijf nooit op een hoog punt in de omgeving staan. Vermijd een eenzame hoge boom. Zoek geen dekking bij het water. Is het onweer dichtbij, ga dan gehurkt en in elkaar gedoken op de grond zitten. Houd metalen voorwerpen als een wandelstok en ijzeren staalkabels op minstens 20 meter afstand.
Eten en drinken
Neem op een dagtocht minstens 1,5 liter drinken mee. Water aangemaakt met wat siroop smaakt lekker onderweg. Drink liever niet uit een beek en laat ook geen sneeuw in de mond smelten (bacteriën!). Neem ook altijd voldoende eten mee. Onderweg is chocolade, (gedroogd) fruit, noten, biscuits niet alleen lekker, het geeft ook de nodige calorieën.
Wie op huttentocht gaat, moet ook brood en beleg meenemen. De kampeerder zal zich vooraf goed verdiepen in het uitgebreide aanbod van lichtgewicht voedsel, dat verkrijgbaar is in de buitensportzaak.
Hoogtevrees
Veel mensen vragen zich af of ze met hoogtevrees in de bergen kunnen wandelen. Wees gerust: bijna iedereen heeft (een beetje) last van hoogtevrees. De één heeft er alleen meer last van dan de ander. Hoogtevrees is zeer subjectief. Daarom bestaat er geen eenduidig advies.
Kwel jezelf niet onnodig, als je last hebt van hoogtevrees. Begin met een eenvoudige (dal)wandeling over goed begaanbare paden en bouw het langzaam op. Ga nooit alleen op stap en zorg dat je tochtgenoot op de hoogte is van je hoogtevrees. Lees vooraf de gidsjes met tochtbeschrijving door, waar meestal staat aangegeven of je ‘schwindelfrei’ moet zijn. Uiteraard is het ook geen schande om terug te gaan wanneer je niet verder durft.
Hoogteziekte
Hoogteziekte is iets heel anders. Wanneer het lichaam geen tijd heeft om zich aan te passen aan de hoogte, ontstaat een tekort aan zuurstof. Dat geeft klachten als hoofdpijn, misselijkheid en slapeloosheid.
De beginnende bergwandelaar zal in de Alpen niet snel worden overvallen door hoogteziekte; de klachten openbaren zich meestal pas vanaf 2500 meter. Voorkom hoogteziekte door goed te acclimatiseren en de eerste dagen niet meteen naar grote hoogtes te gaan.
Veiligheid voor alles
Ga liever niet alleen op pad. De bewoonde wereld is ver weg en wanneer er iets gebeurt, is het prettiger om met z’n tweeën (of meer) te zijn. Laat een slachtoffer nooit alleen en vraag of een ander hulp kan halen. Als er ondanks alles toch iets mis gaat, blijf dan vooral rustig en roep snel hulp in. We geven enkele tips voor het gebruik van de mobiele telefoon:
- Laad de telefoon van te voren goed op en schakel hem onderweg uit, zodat de batterij vol blijft.
- Loop bij slecht bereik, indien mogelijk, naar een hoger gelegen plek. De beste kans op een goede ontvangst is daar waar zicht is op het dal.
- In de koude werkt een batterij niet of minder goed. Draag de telefoon daarom in een jas- of broekzak tegen het lichaam aan.
- Verwijder tijdens de vakantie de pincode. Zo kan een ander hulp inroepen met je telefoon en zijn alle belangrijke telefoonnummers meteen beschikbaar.
- 112 kan altijd gebeld worden, ook zonder beltegoed en zonder pincode in te toetsen.
- In de bergen is het raadzaam om de bergreddingsdienst te bellen (vooraf inprogrammeren!). Zij kennen de situatie in de bergen meestal beter dan de telefonist(e) van 112.
Ook het alpiene noodsignaal kan uitkomst bieden om hulp in te schakelen. Dat kan met geluid (roepen of met een fluitje) of met een visueel teken (zaklamp, zonlicht weerkaatsen met een spiegeltje). Geef zes keer per minuut een signaal af en houd vervolgens één minuut stilte. Herhaal dit totdat er antwoord komt (driemaal per minuut één signaal).